Typ hierboven uw zoekterm of scroll

© 2001-2015 Lycaeus Economisch Woordenboek - Alle rechten voorbehouden>

ketenaansprakelijkheid : financiële zaken, overheid - aansprakelijkheid van de hoofdaannemer voor de premies en belastingen die zijn onderaannemer onbetaald heeft gelaten.

Keynes versus Klassieken : groei en conjunctuur - Volgens Keynes heeft sparen een daling van de effectieve vraag tot gevolg, terwijl volgens de Klassieke theorie sparen een toename van de investeringen betekent en dus een toename van de kapitaalgoederenvoorraad.

Keynes, John Maynard : algemeen - (1883-1946) Invloedrijk Brits econoom, (spreek uit ŰKeensö); grondlegger van de theorie die inhoudt dat bij een gegeven productiecapaciteit de bestedingen in een land de hoogte van de nationale productie en daarmee de werkgelegenheid bepalen. John Maynard Keynes wordt geboren in het sterfjaar van Marx als de zoon van een bekend econoom: John Neville Keynes. Wordt in 1907 ambtenaar bij het ministerie van Koloniën. Inmiddels heeft hij een hoog geprezen boek over mathematische waarschijnlijkheidsrekening gepubliceerd. In 1913 laat hij Indian Currency and Financier het licht zien. Hij keert als docent terug naar Cambridge; wordt hoofdredacteur van Engelands meest invloedrijke economische tijdschrift The Economic Journal. In de eerste wereldoorlog bekleedt hij een post bij het ministerie van Financiën en is in 1918 als vertegenwoordiger van de schatkist aanwezig bij de vredesconferentie van Versailles. Machteloos en woedend ziet hij een verdrag tot stand komen dat de basis legt voor de ellende in de komende decennia. Hij neemt ontslag en schrijft het beroemde The Economic Consequences of the Peace. Een briljant en vernietigend boek. Niet het herstel van Europa stond voorop bij de Conferentie, maar het roekeloos uitleven van politieke wrok. Keynes voorspelt feilloos de depressie en hij waarschuwt voor het daarop volgende oorlogsgeweld. In 1923 schrijft hij zijn Tract on Monetary Reform en in 1930 de Treatise on Money, waarin hij de afwisseling van nu weer oplevende en dan weer inzakkende bedrijvigheid aan de orde stelt. In 1936 verschijnt de General Theory of Employment, Interest and Money. Een moeilijk toegankelijk boek waarin Keynes de gedachten ontvouwt die hem bij de millenniumwisseling doen uitroepen tot de belangrijkste econoom van de twintigste eeuw: een economie herstelt zich niet vanzelf als hij in een depressie terecht is gekomen; de overheid zal door middel van een investeringsprogramma en/of belastingverlaging de productie weer op gang moeten brengen. Tegen het einde van zijn leven speelt hij nog een belangrijke rol bij de wederopbouw van het internationaal geldstelsel. Hij helpt de grondslag te leggen voor het naoorlogse internationaal geldstelsel met het IMF (ę Internationaal Monetair Fonds) als middelpunt. In 1946 sterft hij als Lord Keynes, met eredoctoraten van Edinburgh, de Sorbonne en Cambridge. (Schöndorff c.s.) Zie ook: onderdeel onderbesteding

Keynesiaanse begrotingspolitiek : groei en conjunctuur, overheid - De hoogte van de overheidsuitgaven en van de belastingontvangsten wordt doelgericht gebruikt als instrument om het niveau van de economische bedrijvigheid te stimuleren (ten tijde van een recessie) of juist af te remmen wanneer de economie oververhit dreigt te raken. Deze beleidsinzet - geïnspireerd door het gedachtegoed van John Maynard Keynes - staat tegenwoordig bij veel economen in een kwade reuk. Politici zijn namelijk geneigd dit instrument eenzijdig te gebruiken. Zij staan snel klaar om de uitgaven te verhogen (of de belastingen te verlagen) om zo de economie te stimuleren, maar zijn veel terughoudender met bezuinigen op de uitgaven (of belastingverhoging) om oververhitting van de economie tegen te gaan. Andere economen stellen dat Keynesiaans beleid geen effect heeft (Ricardiaans equivalentie theorema). En er zijn economen die beweren dat het beleid zelfs contraproductief is (monetaristen). (Schöndorff c.s.). Zie ook: onderdeel Keynesiaanse theorie onderdeel begrotingsbeleid onderdeel monetaristen

Keynesiaanse theorie : algemeen groei en conjunctuur - Deze theorie richt zich op de korte termijn in die zin, dat de productiecapaciteit van een land van een gegeven omvang wordt verondersteld. De mate waarin deze capaciteit daadwerkelijk wordt gebruikt bij de productie hangt af van de omvang van de bestedingen. Dit zijn de consumptieve vraag van particulieren en overheid, de investeringsvraag van particulieren en overheid en de vraag uit het buitenland. Schieten de bestedingen te kort dan wordt de aanwezige capaciteit niet volledig bezet, wat zich bij de productiefactor arbeid uit in onderbestedingwerkloosheid of conjuncturele werkloosheid. Door de bestedingen op te voeren kan deze verdwijnen, maar consumenten noch investeerders hebben enige prikkel om hun aankopen te vergroten. Vandaar dat hier een taak voor de overheid ligt om de eigen bestedingen op te voeren en die van de particuliere sector te stimuleren. Tot ver in de jaren zestig is de theorie van Keynes met vrucht toegepast in de westerse geïndustrialiseerde wereld. Ook nu nog is ze van betekenis, al valt de werkelijkheid niet meer uitsluitend met 'Keynes' te vatten. Het eenvoudig opvoeren van de bestedingen doet de werkloosheid niet als sneeuw voor de zon smelten. En ook is het niet zo dat door het temperen van de bestedingen de prijsinflatie automatisch afneemt. De overmatige aandacht voor de vraagzijde van het economisch proces heeft intussen plaats gemaakt voor theorieën die mede de aanbodkant van de economie in de beschouwing betrekken; meer aandacht dus voor de structuur van de productie en de veranderingen daarin. (Schöndorff c.s.). Zie ook: onderdeel begrotingsbeleid onderdeel Keynesiaanse begrotingspolitiek

Keynesianen : groei en conjunctuur - Zij gaan er - dit in tegenstelling tot de monetaristen - niet vanuit dat de goederenmarkten en de markten van productiefactoren via prijsaanpassingen vanzelf worden geruimd. De overheid dient daarom al naar gelang de omstandigheden in te grijpen. De Keynesiaanse theorie gaat ervan uit dat in een economie inkomensevenwicht kan bestaan, terwijl desondanks de productiecapaciteit onderbezet dan wel overbelast is. Dergelijke onevenwichtigheden zijn niet tijdelijk; ze kunnen gedurende lange tijd blijven bestaan, omdat besteders immers het door hen gewenste gedrag volledig kunnen realiseren. Er werkt geen automatisme dat de wensen van de besteders in overeenstemming brengt met de gegeven productiecapaciteit. Omdat particuliere besteders geen prikkels ontvangen die hun gedrag zouden kunnen veranderen, is ingrijpen door de overheid noodzakelijk. (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring monetaristen nadere verklaring Keynesiaanse theorie

kinderbijslag : algemeen overheid - Inkomensoverdracht aan ouders die kinderen jonger dan 17 jaar verzorgen. Voorbeeld van een sociale voorziening. (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring Inkomensoverdracht nadere verklaring sociale voorziening

Kitchin-cyclus : - hangt samen met schommelingen in investeringen in vlottende activa. De Kitchin-cyclus wordt vaak gezien als een onderdeel van de Junglar-cyclus, d.w.z. in een Junglar-cyclus kunnen vaak twee kleinere Kitchin-cycli onderscheiden worden. Hierdoor ontstaat het karakteristieke M-patroon.

klassenmaatschappij : collectieve sector / economische orde en politiek - opvatting uit de 19de en begin 20ste eeuw dat de maatschappij in ingedeeld in klassen, waaruit de burger zich niet of zeer moeilijk kan ontworstelen. M.n. in de verhouding tussen rijk en arm of werkgevers/industriëlen en arbeiders. Uit sociale hoek is decennia lang geknokt voor gelijke (lees: billijke) rechten.

klassieke economie Eng.: classical economics : algemeen, markten en prijzen - Klassieke economen (zoals Adam Smith, David Ricardo, Jean Baptiste Say, Thomas Robert Malthus en in de 20ste eeuw Alfred Marshall) hanteerden twee uitgangspunten. Ten eerste stellen zij groot vertrouwen in de evenwichtherstellende werking van het marktmechanisme: markten worden automatisch geruimd. Werkloosheid is in deze optiek niet anders dan een overschot op de arbeidsmarkt dat zal leiden tot een daling van de prijs van de arbeid (het loon), waardoor de goedkoper geworden arbeid opnieuw zal worden ingeschakeld. Ook op het macro-economisch niveau bestaat geen probleem. Men baseert dit optimisme op de Wet van Say, die erop neer komt dat onder- of overproductie niet kunnen bestaan. De economie bevindt zich, afgezien van tijdelijke verstoringen, altijd in of rond het volledige werkgelegenheidsevenwicht. Keynes valt in 1936 de Klassieken aan door zijn pijlen op deze twee uitgangspunten te richten. Hij betoogt dat het prijsmechanisme helemaal niet zo soepel werkt en dat met name de lonen wel omhoog maar niet omlaag blijken te gaan. Hij ondermijnt voorts de Wet van Say door erop te wijzen dat in een depressie consumenten en producenten zulke sombere vooruitzichten hebben dat ze geneigd zijn hun aankopen uit te stellen. De koopkracht, het geld, stroomt niet door: de mensen potten het op. Zodoende komt er een kink in de kabel, waarbij producenten met onverkochte voorraden blijven zitten. Het is volgens Keynes dan de taak van de overheid de koopkrachtstroom weer op gang te brengen door de eigen bestedingen drastisch op te voeren. De laatste decennia is het Klassieke vertrouwen in de werking van het marktmechanisme (het śmarktdenken∆) weer sterk op de voorgrond getreden wat in de economische politiek tot uitdrukking komt. Zie ook: neoklassieke economie, Chicago School, Monetaristen (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring Malthus nadere verklaring Smith nadere verklaring Say nadere verklaring Wet van Say

Klassieke School : algemeen - liberale economische leer, waarbij de markt alles van zelf regelt (zelfregulerende economie; Adam Smith).

klassieken : nationaal inkomen, werkgelegenheid - hieronder verstaat men de economen `n de theorie vanaf het ontstaan van de economische wetenschap ( ongeveer het jaar dat Adam Smith zijn boek in 1776 publiceerde) tot aan Keynes. De klassieken gingen uit van een soepel werkend prijs- en marktmechanisme, waarbij de rol van de overheid tot een minimum terug was gebracht. Werkloosheid zou vanzelf wel verdwijnen, omdat door de loondaling iedereen wel weer werk zou kunnen vinden. Er zou dus een krachtenspel zijn in de richting van het bestedingsevenwicht.

klein monetair beleid : geld, bankwezen - is het beleid van DNB om de wisselkoers te beïnvloeden. Na 1 januari 1999 ligt de verantwoordelijkheid hiervan bij de ECB.

knelpuntfactor : collectieve sector / economische orde en politiek - is de productiefactor die bepalend is voor de maximaal mogelijke productie.

koers : financiële zaken - De prijs van een waardepapier (bijv.: aandeel, obligatie of valuta). Bij de evenwichtskoers is de gevraagde hoeveelheid precies gelijk aan de aangeboden hoeveelheid. (Schöndorff c.s.)

koersrisico : internationaal - Het risico dat een wisselkoers verandert. Wisselkoersfluctuaties kunnen de internationale handel nadelig beïnvloeden. Ondernemingen kunnen zich tegen wisselkoersrisico∆s indekken door de betrokken valuta te kopen of te verkopen op de valutatermijnmarkt. (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring valutatermijnmarkt

koersvorming : financiële zaken - Koersen van aandelen, obligaties, opties en valuta∆s komen tot stand door de werking van vraag en aanbod. De evenwichtskoers is de koers waarbij de markt wordt 'geruimd': de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid zijn precies aan elkaar gelijk. Neemt vervolgens de vraag toe, dan zal de koers omhoog gaan. Neemt, omgekeerd het aanbod toe, dan zal de koers dalen. De koers belichaamt zoals elke prijs alle subjectieve beoordelingen en verwachtingen van duizenden kopers en verkopers. Beleggers die een aandeel willen kopen of verkopen, doen dit omdat ze zich er een bepaald oordeel over hebben gevormd. Als ze op grond daarvan verwachten dat de koers zal stijgen, treden ze als koper op en drijven daarmee de koers omhoog. Als ze, omgekeerd, koersdalingen verwachten, willen ze het aandeel verkopen en dragen zo bij tot daling van de koers. Zo blijkt hoe belangrijk het 'gevoel' of het 'sentiment' van marktpartijen is. Het verklaart ook hoe belangrijke veranderingen in de omstandigheden of schokkende gebeurtenissen tot sterke koersfluctuaties leiden. (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring vraag en aanbod nadere verklaring evenwichtskoers

koers-winstverhouding Eng.: PE(price-earnings)-ratio. : financiële zaken - Dit is de beurskoers van een aandeel gedeeld door de (verwachte) jaarwinst per aandeel. (Schöndorff c.s.)

kohier : financiële zaken, overheid - belastingregister.

Kondratieff, Nikolai Dmitriyevich : algemeen groei en conjunctuur - (1892-1938) Russisch econoom die in twee artikelen in 1925 en 1926 aan de hand van uitvoerig statistisch materiaal aannemelijk probeerde te maken dat in de kapitalistische economieën lange cycli te onderscheiden waren. (lange golfbeweging). Werd een van de slachtoffers van de zuiveringen onder het schrikbewind van Stalin. Na een gevangenschap van acht jaar werd hij in 1938 in Moskou geëxecuteerd. (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring lange golfbeweging

kondratieff-golf : nationaal inkomen, werkgelegenheid - is een lange golfbeweging, waarvan één cyclus een periode van 30 à 50 jaar betreft. De golfbeweging kan opgevat worden als een schommeling in de trend (productiecapaciteit). Deze schommeling kan worden verklaard door het gelijktijdig optreden van baanbrekende innovaties (de zogenaamde basisinnovaties). Hierdoor ontstaan er periode van vette en magerige jaren. Tot nu toe kan men vijf perioden van vette jaren onderscheiden. Eerste periode vette jaren van ongeveer 1780 tot 1815 met als basisinnovaties de textielindustrie, het toepassen van waterkracht, het aanleggen van havens, kanalen en verharde wegen en straten. Tweede periode vette jaren van ongeveer 1845 tot 1875 met als basisinnovaties de spoorwegnetten, de gasverlichting en de telegraaf. Derde periode vette jaren van ongeveer 1890 tot 1916 met als basisinnovaties de elektrotechniek, de automobielindustrie en de opkomst van de chemie. Vierde periode vette jaren van ongeveer 1944 tot 1975 met als innovatie de snelle verspreiding van een reeks duurzame huishoudelijke consumptiegoederen. Vijfde periode vette jaren van ongeveer 1995 tot misschien 2020? met als innovatie de talrijke ICT-toepassingen. Let wel dat tussen de perioden van vette jaren de perioden van magere jaren liggen! (bron: ESB nr 4245, blz 171; artikel van Alfred Kleinknecht, hoogleraar innovatie, TU Delft)

koop op afbetaling : consumentengedrag - verkoopovereenkomst waarbij partijen afspreken dat de gekochte zaak meteen (in eigendom) wordt overgedragen, maar de koopsom in termijnen kan worden afbetaald.

koop op afstand : consumentengedrag - overeenkomst die een consumentenkoop is en waarbij tot en met het sluiten van de overeenkomst slechts gebruik gemaakt wordt van een techniek voor communicatie op afstand. Bijv. internet of telefoon.

koop op monster / koop op model : groei en conjunctuur, markten en prijzen - koopovereenkomst waarbij de gekochte zaak moet overeenstemmen met het getoonde of verstrekte monster of model, tenzij dat slechts bij wijze van aanduiding werd verstrekt, zonder dat de zaak daaraan behoefde te beantwoorden.

koop op proef : groei en conjunctuur, markten en prijzen - bijzondere overeenkomst die geacht wordt te zijn gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de koper de zaak binnen bepaalde termijn betaalt. Indien niet (tijdig) wordt betaald, komt de koop niet tot stand.

koopkracht : consumenten en producenten, markten en prijzen - De hoeveelheid goederen en diensten die met het besteedbaar inkomen kan worden aangeschaft; het besteedbaar inkomen wordt verkregen door het bruto inkomen te verminderen met de daarop drukkende belastingen, sociale verzekeringspremies alsmede de ziektekosten en te vermeerderen met de ontvangen kinderbijslag.

koopkracht van de euro : groei en conjunctuur - Is de reële waarde van de euro. Het is de tegenwaarde in goederen en diensten. Zie ook: onderdeel interne waarde

koopkrachtoverzicht : algemeen overheid - Overzicht van een gestileerde berekening van het bruto-nettotraject van bepaalde groepen inkomensontvangers (werknemers, uitkeringsontvangers), waarbij het bruto- en het netto-inkomen van twee achtereenvolgende perioden met elkaar worden vergeleken. Koopkrachtoverzichten worden veel gebruikt om de inkomensgevolgen van overheidsmaatregelen in beeld te brengen, bijv. van belastingmaatregelen die onderdeel vormen van het dekkingsplan, of van de periodieke aanpassing van de sociale uitkeringen. (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring bruto-nettotraject nadere verklaring dekkingsplan nadere verklaring sociale uitkeringen

koopkrachtpariteitstheorie : internationaal - Theorie die zegt dat de wisselkoersverhouding tussen twee munten (op den duur) in overeenstemming moet zijn met de verhouding in binnenlandse koopkracht tussen die valuta's. Dit houdt in dat als bijv. een kilo kaas in Euroland « 10,- kost, terwijl diezelfde kaas in de Verenigde Staten $ 10,- kost, moet gelden dat: « 1,- = $ 1,-. Wanneer de kaas in de Verenigde Staten meer dan $ 10,- zou kosten, leidt dit tot arbitrage, handelaren zouden er brood in zien kaas in te kopen in Euroland voor « 10,- per kilo om die met winst af te zetten in de Verenigde Staten. Het extra aanbod van kaas dat zo op de Amerikaanse markt ontstaat (en het verminderde aanbod ervan op de Europese markt) zou de Amerikaanse kaasprijs drukken en de Europese opdrijven, zover tot beide prijzen weer aan elkaar gelijk zijn. Op de koopkrachtparititeitstheorie valt wel het een en ander af te dingen. Zo houdt de theorie geen rekening met transportkosten en gaat zij slechts op voor internationaal verhandelbare goederen en diensten. (Schöndorff Zie ook: onderdeel Big Mac index onderdeel arbitrage

koopoptie : groei en conjunctuur, consumenten en producenten - recht om door een eenzijdige wilsverklaring een koopovereenkomst te doen ontstaan.

kooprecht : financiële zaken markten en prijzen - recht om aandelen gedurende een bepaalde periode tegen een bepaalde koers te kopen. Bijv. ~ bij de calloptie.

koopsompolis / lijfrenteverzekering : financiële zaken consumenten en producenten - premieplichtige verzekering die op een vooraf overeengekomen datum uitkeert. De uitkering is meestal een periodieke lijfrente zolang de uitkeringsgerechtigde blijft leven. De premie is tot een bepaald maximum fiscaal aftrekbaar; de lijfrentes zijn fiscaal belast.

koppeling : algemeen overheid - Op grond van de wet of uit hoofde van een overeenkomst vindt een automatische aanpassing plaats van de ene economische grootheid (bijv. de sociale uitkeringen) aan het beloop van een andere grootheid (bijv. de gemiddelde stijging van de contractlonen). (Schöndorff c.s.).

korte rente : groei en conjunctuur - Rente op kortlopende beleggingen, dat zijn beleggingen met een looptijd korter dan een jaar (ook: geldmarktrente). (Schöndorff c.s.)

korte termijn : algemeen groei en conjunctuur - Betekent als het over kloktijd gaat śop de korte duur∆, waarbij onder kort vaak korter dan een jaar wordt verstaan. In de economie heeft korte termijn ook een meer specifieke betekenis: een situatie waarin één van de productiefactoren een gegeven omvang heeft. Dit dan in tegenstelling tot de lange termijn waarin alle productiefactoren variabel zijn. De Keynesiaanse theorie is een korte-termijntheorie, omdat de omvang en de kwaliteit van de productiecapaciteit gegeven worden verondersteld. De gangbare voorstelling van de onderneming betreft de korte termijn, waarbij de productieomvang varieert bij een gegeven capaciteit. Wordt van een variabele capaciteit uitgegaan, dan is sprake van een lange-termijnbeschouwing. (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring Keynesiaanse theorie nadere verklaring productiefactoren nadere verklaring productiecapaciteit

korte-termijn model : nationaal inkomen, werkgelegenheid - is een model waarbij van een constante productiecapaciteit wordt uitgegaan. Alleen de vraagfactoren spelen een rol. Het Keynesiaanse model is een korte termijn model.

kosten Eng.: cost : consumenten en producenten, markten en prijzen - Bij de productie van goederen en diensten worden productiefactoren gebruikt en verbruikt, zoals grondstoffen, energie, arbeid en kapitaalgoederen. De in geld uitgedrukte waarde van deze eenheden productiefactoren heten de śkosten∆. Onderscheiden worden vaste (ook wel: constante) en variabele kosten. De vaste kosten variëren niet met de productieomvang. Het zijn de kosten van de -- op de korte termijn gegeven -- productiecapaciteit, zoals de kosten van gebouwen, inventaris en machinepark. De variabele kosten, zoals die van grondstof- en energieverbruik, variëren wel met de productieomvang. (Schöndorff c.s.). Zie ook: onderdeel variabele kosten onderdeel constante kosten

kosten koper (KK) : groei en conjunctuur, markten en prijzen - taxatie- en notariële kosten, lasten, kadastrale rechten en overhevelingsbelasting die - los van de koopsom - gemoeid zijn om de onroerende zaak in eigendom te verkrijgen. Bijv. dit oude huis kost € 300.000,-- k.k.. De ~ belopen circa 15% van de koopsom.

kosten-batenanalyse : algemeen overheid - Kosten en baten van een voorgenomen project of van een bestaande activiteit worden zoveel mogelijk op geld gewaardeerd en vervolgens tegenover elkaar gezet om te analyseren of de kosten van dat project/die activiteit wel tegen de baten ervan opwegen. (Schöndorff c.s.)

kostenbegroting : algemeen - beramen, becijferen of inschatten van de kosten

kosteninflatie Eng.: cost-push inflation : groei en conjunctuur, markten en prijzen - Stijging van het gemiddeld prijsniveau door kostenstijgingen die doorwerken in het algemeen prijspeil. Daarbij kan het bijv. gaan om loonkostenstijgingen (in welk geval wel van loonkosteninflatie wordt gesproken) en om prijsstijgingen van geïmporteerde producten. (Schöndorff c.s.). Zie ook: onderdeel prijsinflatie tegenstelling bestedingsinflatie

kostenverhaal : algemeen overheid - terugvordering bij de overtreder van de kosten die aan de toepassing van bestuursdwang zijn verbonden.

kostprijs : consumenten en producenten - De kostprijs bestaat uit de aan een product toegerekende vaste en variabele kosten. Bij de vaststelling van de verkoopprijs vormt de kostprijs van het product het uitgangspunt. Een winstgevende productie is alleen mogelijk als de verkoopprijs de kostprijs overtreft. Bij de bepaling van de kostprijs kan onderscheid worden gemaakt tussen de historische kosten (de oorspronkelijk gemaakte kosten voor het product) en de vervangingswaarde (waarbij als kosten niet de daadwerkelijke kosten worden gehanteerd, maar de kosten die op het moment van verkoop zouden moeten worden gemaakt). (Schöndorff c.s.) Zie ook: nadere verklaring vervangingswaarde

kostprijsverhogende belastingen : algemeen overheid - Groep rijksbelastingen waartoe onder andere behoren de BTW (omzetbelasting), accijnzen, milieuheffingen, de motorrijtuigenbelasting, de belastingen van rechtsverkeer en de invoerrechten (Schöndorff c.s.). Deze belastingen werken (kost)prijsverhogend, omdat de ondernemer deze belastingen probeert af te wentelen, zoals de omzetbelasting (BTW) en accijnzen. Formeel gesproken is de BTW niet kostprijsverhogend maar eindprijsverhogend, omdat de ondernemer de door hem betaalde BTW mag aftrekken (terugvorderen) van de bij de koper in rekening gebrachte BTW. Alleen het meerdere draagt de ondernemer af. De kostprijsverhogende belastingen behoren tot de indirecte belastingen, omdat de belasting niet geheven wordt over inkomen, maar op het moment van transactie. Samengevat betekent het dat per saldo een percentage belasting over de bruto toegevoegde waarde wordt geheven, die de ondernemer probeert af te wentelen op de afnemer. Uiteindelijk betaalt de consument de BTW. Zie ook: onderdeel indirecte belastingen

kostwinner : nationaal inkomen, werkgelegenheid - persoon die binnen de huishouding waartoe een of meerdere personen behoren, het geld in het laatje brengt. Bijv. in veel gezinnen is de man de enige kostwinner. De ~ is vooral van belang bij de bepaling van uitkeringen. Binnen een huishouding kunnen er meerdere ~ zijn.

krapgeldpolitiek : groei en conjunctuur - Beperking van het groeitempo van de liquiditeitenmassa door de centrale bank. De centrale bank kan die groei afremmen door het verhogen van de korte rente. De Bank verhoogt dan de rente waartegen particuliere banken bij haar kortlopend krediet kunnen opnemen. Die hogere rente werkt vervolgens door in de andere geldmarkttarieven. Als gevolg hiervan wordt onder meer śrood staan∆ bij de bank duurder. Beperking van de kredietverlening door banken (geldschepping) zwakt de geldgroei af. De centrale bank hanteert een dergelijke politiek in het algemeen om oplopende inflatieverwachtingen tegen te gaan. (Schöndorff c.s.).

krappe geldmarkt (in enge zin) : geld, bankwezen - betreft een ongunstige liquiditeitspositie van de banken en een relatief hoge schuld bij DNB. Banken kunnen moeilijk aan geld komen om aan de kredietvraag te voldoen, waardoor de rente mogelijk zal stijgen. Aan de Weekstaat van DNB is te zien of de geldmarkt in enge zin is verkrapt. In dat geval is bijv. de post Voorschotten in rekening-courant (aan de activa zijde) toegenomen (banken hebben geleend bij DNB) en is mogelijk de post Banken in Nederland (aan de passiva zijde) afgenomen, omdat de banken hun tegoeden bij DNB hebben opgenomen.

krediet : consumentengedrag - termijn om het geleende geldbedrag terug te betalen. bijv. de schuldenaar krijgt krediet tot 31 oktober a.s.;
het geleende geldbedrag zelf.

kredietinstellingen : financiële zaken markten en prijzen - banken die onder de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) vallen; ondernemingen of instellingen die hun bedrijf maken van het ter beschikking krijgen van opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen. ~ staan onder het door DNB uitgeoefende bedrijfseconomisch toezicht. Alle ~ staan in de EU onder bedrijfseconomisch toezicht. (bron: DNB)

kredietplafond : geld, bankwezen - geeft aan hoeveel procent de kredietverlening door banken in een bepaalde periode mag toenemen. Het kredietplafond is vervangen door de monetaire kasreserve regeling.

kredietvergoeding : consumentengedrag - elke vorm van vergoeding die door de kredietnemer aan de kredietgever krachtens de kredietovereenkomst is verschuldigd.

kredietverleners : financiële zaken markten en prijzen - personen of instanties die vaak tegen forse rentetarieven financiële kredieten of geldleningen verstrekken.

kredietwaardigheid : consumentengedrag - mate van financiële en (in mindere mate morele) betrouwbaarheid terzake de nakoming van de op de kredietnemer rustende aflossingsverplichting(en).

kringloop : nationaal inkomen, nationale rekeningen - is een schematische weergave van de goederen en/of geldstroom tussen de economische sectoren (gezinnen, ondernemingen, overheid en buitenland). Zie ook: onderdeel economische kringloop

Kroonleden : groei en conjunctuur - De door de Kroon benoemde leden van de Sociaal Economische Raad (SER). (Schöndorff c.s.). Zie ook: onderdeel Sociaal Economische Raad (SER)

kruiselingse prijselasticiteit : consumenten en producenten, markten en prijzen - Laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid van een goed verandert wanneer de prijs van een ander goed met 1% verandert. Bij een positieve kruisprijselasticiteit is sprake van substituten. Is hij kleiner dan 1 dan gaat het om complementaire goederen. (Schöndorff c.s.). Zie ook: onderdeel substituten onderdeel complementaire goederen onderdeel elasticiteit

kruislingse premiebetaling : financiële zaken - het over en weer sluiten van een overlijdensrisicoverzekering op het leven van de partner waarbij de ene partner de premie is verschuldigd op het leven van de ander.

kwalitatieve structurele werkloosheid : groei en conjunctuur - Is de werkloosheid die veroorzaakt wordt doordat het aanbod van arbeid niet over de vereiste kwaliteiten beschikt. Men beschikt niet over de benodigde opleiding of ervaring om de vacature te vervullen. Zie ook: tegenstelling kwantitatieve structurele werkloosheid

kwaliteitsrekening / derdenrekening : markten en prijzen, groei en conjunctuur - bank/girorekening, waarmee de rekeninghouder, die handelt in een bepaalde vertrouwenskwaliteit (bijv. curator), gelden onder zich houdt. Hij voert het exclusieve beheer en de beschikking over de ~ en betaalt pas aan de begunstigde door als aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Die voorwaarden zijn vooraf tussen begunstiger en begunstigde overeengekomen.

kwaliteitsverklaring : arbeidsmarkt / productie / inkomensverdeling - schriftelijk bewijs, voorzien van een door de minister van Volkshuisvesting aangewezen merkteken, afgegeven door een door die minister aangewezen instituut. Bijv. een bouwmateriaal met een ~ behoort te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.

kwantitatieve structurele werkloosheid : groei en conjunctuur - Het maximaal beschikbaar aantal arbeidsplaatsen is niet voldoende voor de beschikbare beroepsbevolking. De hoeveelheid kapitaalgoederen vormen een knelpunt. Een mogelijkheid om kwantitatieve structurele werkloosheid te bestrijden is het stimuleren van investeringen, opdat het aantal arbeidsplaatsen toeneemt.

kwijting : financiële zaken consumenten en producenten - schriftelijke verklaring van de schuldeiser dat de schuldenaar zijn schuld heeft voldaan.

kwijtschelding : financiële zaken - Overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar, waarbij de schuldeiser van zijn vorderingsrecht afstand doet.

kwitantie : financiële zaken consumenten en producenten - schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat een bepaald geldbedrag is ontvangen.

laagconjunctuur : groei en conjunctuur - Het groeipercentage van de nationale productie ligt onder de trendmatige ontwikkeling. (Schöndorff c.s.) Zie ook: onderdeel baisse tegenstelling hoogconjunctuur

laatkoers : financiële zaken - Prijs waartegen iemand bereid is een effect te verkopen (Schöndorff c.s.). Zie ook: tegenstelling biedkoers

Laffercurve : collectieve sector / economische orde en politiek - is een curve die het verband tussen de belastingopbrengsten en de belastingdruk weergeeft, en waaruit blijkt dat bij stijging van de belastingdruk de uitgaven degressief stijgen (= minder dan evenredig), en zelfs bij een zeer hoge belastingdruk absoluut gaan dalen..

lagere overheden : algemeen overheid - Dit zijn gemeenten, provincies en waterschappen. Deze laatste verzorgen de waterhuishouding en de dijken. In sommige gebieden zuiveren de waterschappen ook het afvalwater, in andere streken is deze taak opgedragen aan afzonderlijke zuiveringsschappen. (Schöndorff c.s.).

laissez-faire : algemeen - Frans: lett: laat maar gaan. Aanvankelijk economisch uitgangspunt dat de overheid niet moet ngrijpen in de marktwerking van de economie. Voor het eerst geuit tegen het mercantilisme en protectionisme in het Frankrjik onder Louis XIV, (17e eeuw) waarbij het voor de wereld als geheel beter zou zijn als protectionistische maatregelen zouden worden afgeschaft. Ook kan men denken aan Adam Smith, die in Wealth of Nations (1776) uitlegde hoe als een ieder zijn eigen belangen nastreeft - het gemeenschappelijk belang het beste gediend wordt. De uitdrukking komt ook buiten de economie voor, bijv in de opvoeding van kinderen. Zie ook: nadere verklaring Smith, Adam onderdeel liberalisme